‘De vos is vergeten wie ze is. Zoals we dat allemaal vergeten zijn, bedenkt Bosuil vol plotselinge weemoed. Waar is de magie gebleven, die bezielende kracht die ooit deel uitmaakte van deze wereld? Een emotioneel ‘hoehoehoehoeoe’ ontsnapt hem, eindigend in een onvaste triller.’
Uit: Bosuil, Alles ritselt en ruist
Als ik in het bos achter ons huis loop, overvalt me soms het gevoel dat ik me in de verkeerde versie ervan bevind. Een verdunde uitgave, een echo van hoe een echt bos hoort te zijn.
Natuurlijk, dit zijn bomen geplant in de Flevolandse zeebodem, in de tijd dat rijtjes en rechte lijnen nog een goed idee leken. Alles overzichtelijk en onder controle, zoals de voortvarende tijdgeest dat dicteerde. Na al die jaren zijn de rijtjes gelukkig opgegaan in een wirwar van struiken en nieuwe bomen uit het gelid, inclusief dieren, planten, insecten, vogels en paddestoelen. Niet zo mooi als de bossen op de Veluwe, maar het gaat langzaam in de goede richting.
Toch is er nog iets anders aan de hand. Iets wat je overal voelt in de Nederlandse natuur, niet alleen in Flevoland. Een verandering die langzaam maar zeker heeft plaatsgevonden, met kleine beetjes tegelijk. We weten allang dat er in de laatste decennia veel dier- en plantsoorten verdwenen zijn, in een alarmerend tempo. Maar voor een leek als ik, die niet doorheeft welke soorten het loodje hebben gelegd, is het ook simpelweg voelbaar.
Een paar keer was ik de afgelopen jaren op plekken waar de natuur nog intact lijkt – in het dunbevolkte noorden van Finland, in de wildernis van Canada – en dat voelt heel anders. Alsof alles wat groeit dichterbij is. De atmosfeer lijkt intenser, boordevol met leven, als een rijkgevulde, borrelende soep. Je voelt dat je wordt ontmoet door een bezielde aanwezigheid, een bijna tastbare energie. Het maakte dat ik me ook bewust werd van mezelf: ik kon niet anders dan ook present zijn, hier, nu, in die wakkere, prachtige wereld. Ik voelde me geen bezoeker, maar een gelijkwaardig wezen, gemaakt van dezelfde essentie. Wegdwalen in gedachten was nauwelijks een optie; het moment was te levendig om er bij weg te blijven.
Het verdwijnen van het fijne weefsel van ecosystemen – veroorzaakt door de vervuiling en de kaalslag die we zelf hebben veroorzaakt – heeft een diepgaand effect op ons. We worden nauwelijks meer gecorrigeerd of ondersteund door onze medebewoners – de bomen, de dieren, de planten, de rivieren – omdat we hun bestaan hebben verzwakt en uitgehold, hun stemmen tot zwijgen hebben gebracht. We menen superieur te zijn aan een boom, aan een libelle of een vos, we denken waardevoller te zijn dan een rots of een beek. De natuur, zo zijn we gaan geloven, is er om naar onze eigen hand te zetten. Nog steeds zien we dieren en planten als iets anders dan wijzelf.
Maar zo langzamerhand beginnen we, denk ik, te merken wat deze splitsing teweeg heeft gebracht. Het is niet alleen de natuur die er slecht voor staat: ook zelf missen we die sensuele, krachtige aanwezigheid om ons heen die ons welzijn voedt. Die onze gedachten relativeert en in toom houdt, en ons doet beseffen waar we deel van uit maken.
Bosuil, een van de dieren in ‘Alles ritselt en ruist”, benoemt het anders, maar in wezen gaat het over hetzelfde. De uil heeft heimwee naar de magie die verdwenen lijkt te zijn. En daarmee ook zijn rol als ziener, die hij zich vagelijk herinnert, opgeslagen in het DNA van zijn soort. Hij mist de ziel van het bos, de stemmen van de bomen, het gevoel van betekenis te zijn.
En wat anders is magie dan die borrelende, rijkgevulde soep? Die trotse aanwezigheid van een gezond, vitaal systeem, een weefsel zo rijk dat het glinstert en glanst en zingt?
Magie is wat mij betreft niet het verzamelwoord voor toverstokken, heksenbrouwsels of onzichtbaarheidsmantels – hoewel ik liever niets uitsluit – maar betekent iets veel alledaagser: het wonder van het leven zelf.
Het gaat duidelijk niet goed met de natuur, en daarom ook niet met ons. Een tij dat meestal pas keert als er een cirisis ontstaat, als de nood echt aan de man komt. We zullen wakker moeten worden uit de droom van ons denken, waarmee we ons losgedacht hebben van de rest van de levende wereld. Van het mysterie dat dit alles is.
Ik geloof in heling. In onder ogen zien waar we de verkeerde afslag hebben genomen. Om ons vervolgens weer toe te wenden naar echte rijkdom, die goed is voor ons allemaal. Magie is niet alleen iets voor bosuilen. We kunnen magie uit het oog verliezen en pretenderen dat we afgescheiden zijn van de rest – met alle gevolgen van dien – maar we kunnen haar niet uitzetten. Want die borrelende, rijkgevulde soep, dat zijn wij zelf.
